Het hooggerechtshof in Den Haag heeft gisteren besloten dat geweld door het Nederlandse leger in 1947 in Nederlands-Indië niet is verjaard. Het gaat om zes zaken over geweld, marteling en standrechtelijke executies. Dat melden verschillende Nederlandse media.

Familieleden van vijf Indonesische onafhankelijkheidsstrijders die door militairen standrechtelijk zijn geëxecuteerd hebben de zaak aangespannen. De zesde zaak betreft de inmiddels overleden veteraan Yaseman, die in 1947 door KNIL-militairen (Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger) is gemarteld. Hij werd verdacht van het steunen van de onafhankelijkheid voor Indonesië. Het hof kent hem, net als de rechtbank, € 5.000,- aan smartengeld toe. Als de familieleden van de andere vijf kunnen bewijzen dat zij de kinderen zijn, kunnen zij pas aanspraak maken op vergoeding van kosten van levensonderhoud.

De Nederlandse Staat ging eerder in beroep en gooide het op verjaring. Juridisch klopt dat, omdat de claims inderdaad te laat zijn ingediend. Maar toch heeft het hof een uitzondering gemaakt vanwege “de buitengewone ernst en de grote mate van verwijtbaarheid van het gebruikte geweld”.

Omdat de martelingen en executies destijds niet werden geregistreerd heeft Nederland het moeilijk gemaakt zaken te bewijzen, zo stelt het hof.

Eerder heeft een rechter zich al uitgesproken over oorlogsmisdaden in het voormalige Nederlands-Indië. De rechtbank stelde de staat in 2015 al aansprakelijk voor schade.

Verkrachting

De rechtbank acht in 2016 bewezen dat een vrouw door meerdere militairen is verkracht onder bedreiging van een vuurwapen. De groepsverkrachting vond plaats tijdens een zuiveringsactie in het christelijke dorp Peniwen op Java. Naast het verkrachten van meerdere vrouwen schoten KNIL-militairen op 19 en 20 februari 1949 verschillende mensen dood, onder wie drie verplegers van het Rode Kruis en twee patiënten van het lokale ziekenhuis.

Reacties