“Laten we de Api Indjil voor altijd branden”

Door: Gita Lopulisa

De Maleise bidstond in Hoogeveen viert dit jaar haar tiende lustrum en daar werd uitgebreid bij stil gestaan middels een dankdienst en een feestavond met zang, dans en muziek. Onlangs overleed de oudste deelneemster tante/oma Magdalena Malaihollo-Tatipata op 96-jarige leeftijd. Dochters Aya en Naomi, Ronny Lopulisa en Gusta Manusiwa nemen ons mee terug in de tijd hoe de Maleise bidstond in Hoogeveen is ontstaan en wat de huidige ontwikkelingen zijn.

Het is dit jaar 56 jaar geleden dat in de zomer van 1962 een grote groep Molukkers uit Nieuw Guinea naar Nederland repatrieert. Aya : “Ons gezin behoorde ook tot deze groep”. Na een kort verblijf in Wezep, volgde de verhuizing naar Heino. “Daar hebben we drie jaar gewoond toen we in 1965 naar Holten werden overgebracht en uiteindelijk in 1967 volgde Hoogeveen”.

Omdat het nabijgelegen kerkgebouw “De Ark” nog in aanbouw was, vonden de kerkdiensten in eerste instantie  plaats  in schoolgebouwen. Aya : “Toen De Ark in gebruik werd genomen, werden mijn vader en oom Sabandar door dominee Hamminga en ouderling de heer Berkhout benaderd of zij als ouderling bevestigd wilden worden met een bijzondere taak, namelijk het bezoeken van de Molukse en Indische mensen rondom de  Ark. “Oom Kantil en Klaas van As kwamen met het verzoek of het mogelijk was om een Maleise bidstond op te zetten”. En zo geschiedde! “De Maleise bidstond begon met 8 personen in een van de zalen in De Ark”, geven Aya en Ronny aan. Het nieuws verspreidde zich al snel en er bleek veel animo! Halverwege de jaren ’70 groeide het aantal naar 20 personen die de wekelijkse bijeenkomsten bezochten.

Harmonie

In Hoogeveen bevond zich al een grote Molukse gemeenschap die reeds in 1951 de overtocht naar Nederland had gemaakt. Gusta : “Er kwam een schriftelijk verzoek of de Molukkers uit Nieuw Guinea zich wilden aansluiten bij één van de Molukse kerkgenootschappen, omdat de kerkdiensten immers ook in het Maleis werden verzorgd”. Op het verzoek werd door het merendeel echter niet ingegaan, daar er sprake was van verscheuring binnen de Molukse kerkgenootschappen. “Omdat we ons niet wilden mengen in de verdeeldheid onder de Molukse kerken, hebben we ons aangesloten bij de Nederlands Hervormde Kerk”.

De Maleise bidstond voorzag in de behoefte van de leden en ze deelden lief en leed met elkaar.  Ronny : “Ik had heimwee. We hadden allemáál heimwee! Ik miste de taal, want je eigen taal is je thuis. En hoe mooi is het om samen je moedertaal te spreken. Samen voelen we ons dan één. We delen hetzelfde gevoel en dezelfde moeilijkheden. Het Woord biedt dan zoveel vertroosting. Dat is toch prachtig!”

De Maleise bidstond werd voornamelijk geleid door oom Roemahlewang en oom Malaihollo. Later, na het overlijden van laatstgenoemde, nam oom Sabandar het stokje over. Ook de ooms Kantil en Leasa gingen weleens voor. Aya : “Ze zijn allemaal niet meer onder ons, maar ze hebben zoveel moois achtergelaten”.  Ronny was, vergeleken bij de deelnemers van de Maleise bidstond, maar een ‘broekie’. “Ik was 30 jaar jonger als die ooms!” Dat zij er even aan moesten wennen, was merkbaar. Echter Ronny’s vasthoudendheid heeft ervoor gezorgd dat hij vanzelfsprekend werd geaccepteerd. “Weet je wat ik zo bewonder aan die ooms?”, geeft Ronny. “Ze stelden zich niet afhankelijk op en deden alles met overtuiging. Alsof ze zichzelf getraind hadden om De Boodschap al die jaren te kunnen verkondigen”. Naomi : “Mijn vader, oom Sabandar en oom Roemahlewang vormden samen een gouden trio”. Ze geeft aan dat er immer sprake van een harmonieuze samenwerking en de diensten werden bij toerbeurt in goed onderling overleg verzorgd.

Naomi : “Toen mijn vader overleed stond mijn moeder erop dat oom Roemahlewang zowel de troostdienst als de rouwdienst van mijn vader zou leiden“.  Naomi, Aya en Ronny  bevestigen in koor dat ‘oom Roemah’, zoals hij werd genoemd, het uitstekend en met volle overtuiging heeft uitgevoerd. “Weet je dat oom Roemah dit werk al deed ten tijde in Nieuw Guinea?”, geeft Ronny aan. “En dat dit alles heeft bijgedragen in de beslissing toen hij in 2009 koninklijk werd onderscheiden tot lid in de orde van Oranje-Nassau”.

In grote lijnen is het programma van de samenkomsten, na 50 jaar, hetzelfde gebleven. Er wordt gezongen, gebeden en er is een korte overdenking. De liederen die vroeger veel werden gezongen, worden wat minder. “Tegenwoordig gebruiken we Boekoe Njanjian Geredja, een speciaal samengesteld liedboek”. Ook de bezoekers varieert, want in het begin waren het louter volwassenen. Door de jaren heen kwamen er zo nu en dan zelfs kinderen mee die de samenkomsten bijwoonden. Gusta : “We komen de laatste zaterdag van de maand bij elkaar. Eens per jaar organiseren we een dagtocht met de bus”.

Stokje overnemen

Aya : “Na het overlijden van mijn vader en de ooms Kantil, Sabandar, Leasa en Roemahlewang, was er niet direct een opvolger beschikbaar. Het was zelfs nog even de vraag of het zou voortbestaan. Ook omdat er nog maar een handjevol mensen de samenkomsten bezochten”.

Het zijn uiteindelijk de tantes, de echtgenotes van de overleden ooms, die aangaven dat de Maleise bidstond moest blijven bestaan. De vraag was echter wie de nieuwe voorganger zou moeten worden. Daar hoefden de tantes niet lang over na te denken! De naam van Gusta Manusiwa werd genoemd. “En ik wist zelf nog helemaal van niks!”, geeft ze aan. “Ik bezocht alleen de bidstond als ik uitgenodigd werd voor een bijzondere gelegenheid.  De tantes riepen Gusta bij zich en legden haar de bewuste vraag voor. “Ik moest er wel even over nadenken hoor! Ik had wel wat ervaring met het leiden van een gebedsgroep. Echter de samenstelling van de Maleise bidstond en in de Maleise taal waren voor haar nieuw. Uiteindelijk heeft Gusta ingestemd en heeft zij, tot grote vreugde van alle leden, in 2010 het stokje overgenomen. Ze omschrijft de Maleise bidstond als een hele fijne en warme groep. “ We delen veel met elkaar, ook lief en leed. Zo gaan we ook op (zieken)huisbezoek, dat is één van de dingen van verbondenheid”.

Door het ontvallen van de ouderen van het eerste uur, beseffen hun kinderen steeds meer wat hun ouders hebben opgebouwd binnen de Maleise bidstond. Het stemt hen bedroefd bij de gedachte dat het voortbestaan zou moeten eindigen. Een aantal kinderen van de eerste generatie sloten zich aan met als gevolg dat de bidstond intussen 12 nieuwe leden heeft mogen verwelkomen. Ronny : “Hiermee gaat de wens van hun ouders in vervulling en kan de Maleise bidstond blijven bestaan! Hun ouders droegen de bidstond een warm hart toe en dat wordt door de toevoeging van nieuwe leden alleen maar bevestigd. Het voelt zo liefdevol en warm”.

De huidige generatie, de kleinkinderen, zijn en worden er ook bij betrokken als soort van groeiproces. Ze beseffen ook heel goed wat de Maleise bidstond voor hun grootouders heeft betekend. “Vanaf de zijlijn hebben ze echt wel een stukje geloof en cultuur meegekregen. Ook  beseffen ze heel goed dat de Maleise bidstond een stuk erfgoed is wat hun grootouders hebben achtergelaten”, geeft Ronny aan. Hij is ervan overtuigd dat het geloof een houvast is geweest voor de Molukkers, ongeacht vanuit de Indonesië of Nieuw Guinea. “Ze kwamen aan in een koud en vreemd land. Ze hadden alleen God én elkaar! Dat heeft hen staande gehouden”.

Sinds 2006 is De Ark niet meer in gebruik. Toen het bekend werd dat de Ark zou sluiten  wendde wijlen oom Roemahlewang zich tot Gusta. Hij vroeg aan haar om aan de kerkenraad voor te leggen dat de Maleise bidstond voorgezet kon worden in de Oosterkerk, ook in Hoogeveen. Want zo gaf oom Roemahlewang aan : ”De Ark gaat sluiten, maar we hebben een nieuwe ruimte om God te loven en te aanbidden”. En zo geschiedde dat de Maleise bidstond werd voortgezet in genoemde kerk.

Het 50-jarig bestaan van de Maleise bidstond in Hoogeveen is niet ongemerkt voorbij gegaan. In het voorjaar vond er een dankdienst in de Oosterkerk plaats met speciale genodigden en onlangs was er een gezellige feestavond met zang, dans, muziek en een loterij. Om bij te dragen in de financiën had de organisatie verkoopacties uitgezet en was er hulp van o.a. sponsoren. Naomi : “Mijn moeder was met haar 96 jaar het oudste lid van de Maleise bidstond en ging elke keer trouw heen. Ze moest echt ziek zijn als ze niet zou gaan”.

Eind juni overleed moeder. Tijdens dit interview was zij nog aanwezig en vulde het volgende aan : “Ik voel me nog steeds goed en sterk. De Maleise bidstond is voor mij heel belangrijk, want mijn leven is met God. Tuhan pegang beta punja napas. Ik ben erg blij dat ik het 50-jarig bestaan mag gaan meemaken”.

Ronny voegt ter afsluiting toe : “Laten we de Api Indjil, het Evangelisch licht, met elkaar voor altijd branden”.

Reacties